Een zzp’er die minder dan €36 per uur verdient, kan aanspraak maken op werknemerschap. Dat staat in het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). Als het voorstel wordt aangenomen, gaat de nieuwe wet op 1 juli 2026 in.
Het wetsvoorstel is bedoeld als verduidelijking van eerdere wetgeving over schijnzelfstandigheid. De huidige gerechtelijke uitspraken over de criteria die bepalen of iemand zzp’er is of niet, blijven geldig. Een belangrijk criterium blijft bijvoorbeeld de vraag wie het werk aanstuurt, en hoe en wanneer het werk gedaan wordt.
Arbeidsovereenkomst
Onder de nieuwe wet kunnen zzp’ers die minder dan €36 per uur verdienen, straks stellen werknemer te zijn en een beroep doen op de bijbehorende rechten. Het is vervolgens aan de werkgever om aan te tonen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Als inderdaad sprake is van een arbeidsoverkomst, dan heeft de betreffende persoon recht op alle voordelen van een werknemer. De werkgever moet de verschuldigde premies en belastingen betalen.
Het uurtarief wordt ieder jaar aangepast aan de stijging van het minimumloon. Het bedrag wordt daarbij naar boven afgerond. Het huidige bedrag van €35,43 wordt daarom afgerond naar €36.
200.000 schijnzelfstandigen
Volgens het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid valt momenteel 15% van de zzp’ers onder deze grens. In totaal gaat het om zo’n 200.000 schijnzelfstandigen. Vanaf volgend jaar kan de Belastingdienst al naheffingsaanslagen loonheffingen opleggen als er binnen een organisatie sprake is van schijnzelfstandigheid, maar niet verder terug dan 1 januari 2025.
Het wetsvoorstel is door minister Van Hijum naar de Tweede Kamer gestuurd. Als het daar wordt aangenomen, gaat het vervolgens naar de Eerste Kamer. Als ook de Eerste Kamer instemt, wordt het wetsvoorstel op 1 juli 2026 van kracht. Er geldt geen overgangsrecht.
