De rechtbank Den Haag heeft op 11 februari 2026 alle vorderingen van vijf milieuorganisaties over PFAS afgewezen. Volgens de rechter doet de Staat op dit moment voldoende om de verspreiding van PFAS tegen te gaan en maatregelen te treffen tegen risico’s die al in het milieu aanwezig zijn. Van onrechtmatig handelen is geen sprake.
De zaak was aangespannen door vier regionale Natuur- en Milieufederaties en Stichting Gezond Water. Zij vinden dat de Staat te weinig en te traag optreedt, waardoor wijdverbreide verontreiniging in stand blijft. Het geschil draaide om de vraag of de huidige aanpak juridisch tekortschiet.
Rechter toetst, maar schrijft niet voor
PFAS is een verzamelnaam voor ongeveer 10.000 chemische stoffen die slecht afbreken en zich via water en lucht verspreiden. Een deel kan zich ophopen in organismen en bij langdurige blootstelling schadelijke effecten veroorzaken. Juist omdat de stoffen zo wijdverspreid zijn en verschillende sectoren raken, vraagt de aanpak om keuzes die doorwerken in beleid voor water, landbouw, industrie en volksgezondheid. De rechtbank stelt daarom voorop dat regering en parlement een ruime beoordelingsvrijheid hebben bij het maken van die keuzes. De rechter toetst of de Staat binnen de grenzen van het recht blijft, maar schrijft geen politieke maatregelen voor.
Kaderrichtlijn water
Een belangrijk punt was de Europese norm voor PFOS in oppervlaktewater. PFOS is één van de bekendste en meest onderzochte stoffen binnen de bredere PFAS-groep. Voor deze stof geldt een aparte milieunorm die volgens de huidige planning uiterlijk op 22 december 2027 moet worden gehaald. De milieuorganisaties stelden dat dit niet gaat lukken en dat uitstel niet mogelijk is. De Staat voerde aan dat de Kaderrichtlijn Water onder voorwaarden ruimte biedt om de termijn te verlengen. De rechtbank oordeelt dat niet met voldoende zekerheid vaststaat dat de norm per se in 2027 moet zijn gehaald. Daarom is nu geen sprake van een dreigende schending van een wettelijke plicht.
Over landsgrenzen heen
De rechtbank vindt dat de maatregelen die de Staat met de kennis van nu neemt, geschikt en voldoende zijn. Zij richt zich in eerste instantie op het voorkomen en beperken van nieuwe PFAS in het milieu en zet daarnaast sterk in op een breed Europees verbod via REACH (Europese wetgeving voor chemische stoffen). Omdat PFAS zich over landsgrenzen verspreiden en het stoffenbeleid Europees is geregeld, vindt de rechtbank die keuze logisch.
De uitspraak raakt ook de landbouw. De milieuorganisaties wezen op PFAS-houdende gewasbeschermingsmiddelen en mogelijke gevolgen voor bodem en water, onder meer in teelten met veel watercontact zoals de bollenteelt. De Staat verwees naar het bestaande Europese toelatingssysteem, waarin middelen individueel worden beoordeeld en periodiek herzien. De rechtbank ziet geen grond om aanvullende, specifieke PFAS-maatregelen voor pesticiden te bevelen.
