Een zaterdagse fietstocht brengt ons via de Reeuwijkse Plassen in Oudewater. Daar zijn de terrassen drukbevolkt, maar vlakbij een brug veroveren we een tafel voor twee. Het is lunchtijd, dus kom maar op met de kaart. We kiezen allebei voor een bagel. Mijn vrouw met geitenkaas, ik met pittige kip. ‘Misschien nog een schaaltje frites erbij?’ vraagt de ober attent. ‘Graag!’ De aardappelboeren hebben het immers al moeilijk genoeg.
Tijdens de vakantie kon je onze dagen ook op een dergelijke manier uittekenen. Om een uur of elf pakten we de fietsen, de route was al uitgestippeld met de Fietsknoopapp, en ergens halverwege bevond zich dan een uitspanning waar we de lunch gebruikten. Mijn schoonouders deden dat ook altijd, alleen gebruikten zij hun meegebrachte middageten in een bermrestaurant. Andere generatie. Niet zo weelderig opgevoed als wij.
Want zeg zelf, we leven toch in een tijd van overvloed? We zagen het toen we het Brabantse land doorkruisten. Volop akkers met aardappels, bieten, uien, graan en mais. We zien het richting Oudewater. We zien het langs de Rotte. De spruiten groeien als kool. Er is geen nee te koop in ons land.
