Het is 2050. Ik slenter na de lunch naar de tuin. Heel rustig aan, ik ben immers 84 jaar oud. Terwijl ik de deur open door mijn gezicht te laten scannen hoor ik achter me gekuch. Ik draai me om en zie een veertiger van zijn fatbike afstappen. ‘Goedemorgen, wat brengt u hier?’ vraag ik vriendelijk.
‘Ik zoek werk,’ zegt hij. Verrast kijk ik op. ‘Werk? Hier?’ Hij knikt. ‘Ja, ik ben psycholoog, maar al die opgebrande mensen, het werd me een beetje teveel. Ik raakte zelf burn-out en nu probeer ik simpel werk te krijgen waarbij ik niet teveel hoef na te denken. Ik dacht aan plantjes poten zodat ik mijn hoofd een beetje leeg kan maken. Dat ken ik nog van vroeger. Want heel de dag op de bank hangen is ook niks. Voor mijn vrouw ook niet trouwens.’ Ik kijk hem onderzoekend aan. Meteen onverrichterzake wegsturen lijkt me niet zo’n goed idee. ‘Kom maar even mee naar binnen. Drinken we een bakkie en dan leg ik het je uit.’
In de bedrijfsruimte is het een drukte van belang. De oogstband draait als een tierelier. De bossen kamille worden automatisch gebundeld, van een hoes voorzien en in een emmer gezet. Aan de andere kant staan karren met kleine plantjes die via een transportband de kas in schuiven. Een robot neemt ze daar mee de kap in en razendsnel worden de plantjes met tien tegelijk in de grond gedrukt.
