Hij wast het krijt van zijn handen als ik naar voren kom. ‘Zo,’ vraag ik, ‘gelukt?’ Hij knikt bevestigend. Ik wijs omhoog naar het glas in de paskap naast de schuur: ‘Deze heb je niet gedaan?’ ‘Nee, met die noordenwind zijn de zonnepanelen op je schuur dan ook meteen wit. Daar kunnen we beter een ander keertje voor terugkomen.’ Ik snap hem. ‘En achter m’n huis? Ging dat een beetje? Niet teveel gespetterd?’
Het begint elk jaar met een belletje. Mijn broer. Of we het spuitbedrijf al moeten laten komen. Er worden een paar zonnige dagen verwacht en in mei is dat het startsein voor een laagje wit op de kas. En dit jaar wordt er niet gespetterd maar dichtgespoten. Die afspraak hebben we vorig jaar zomer al gemaakt.
Tegen mijn vrouw vertel ik dat er weer gekrijt gaat worden. Haar gezicht betrekt. ‘O, dan mogen we de spullen in de tuin wel weer aan de kant zetten.’ Ja, zij vindt het minder. De ramen van het tuinhuisje net gezeemd, nieuwe plantjes gepoot in de borders, ik begrijp het wel. Heeft opeens elke plant bont blad. ‘Het zal nog wel even duren,’ probeer ik de kou uit de lucht te halen, ‘ze hebben vast niet meteen tijd.’
