Hij ligt op zijn knieën naast me, aan de andere kant van de oogstband. ‘It’s time for he next step,’ zeg ik tegen hem. Ik laat hem zien hoe ik een kamilletak met mijn rechterhand onderaan afsnijd waarna ik de steel met duim en wijsvinger vastklem en vervolgens in het bos in mijn linkerhand leg. ‘This way,’ zeg ik en ik wijs op de bovenkant waar de bloemen een recht scherm vormen. Hij lacht.
Het is elke morgen een drukte van belang bij ons op de weg. Tussen zes en zeven komt de stroom werknemers op gang die bij de verschillende tuinbouwbedrijven zorgen voor het productiewerk. Dat varieert van komkommers en bloemen snijden tot stokjes steken bij planten en honderden andere klussen die op tuinbouwbedrijven worden gedaan. Het is geen werk waar je voor gestudeerd hoeft te hebben, maar desalniettemin word je wel geacht je koppie erbij te gebruiken.
Als ik om kwart over zes voorzien van digitale krant en koffie een blik naar buiten werp zie ik ze voorbij fietsen uit de richting Zoetermeer. Ik weet dat ze schuin aan de overkant naar de komkommerkas gaan. Ik denk dat het er wel twintig tot dertig zijn. En allemaal van allochtone afkomst. Zij willen dat nog wel, werken met hun handen. Autochtone Nederlanders kiezen liever een schonere werkplek. Verschil moet er zijn.
