Perceelranden waar heggen staan, trekken dubbel zoveel insecten aan als perceelranden waar geen heggen staan. Dit effect is zelfs te zien in landbouwgebied waar al veel natuur is. Bloemenstroken helpen ook een beetje, maar niet zo veel als heggen; daarin zit 1,5 keer zoveel biomassa in aan insecten. Dit blijkt uit onderzoek van de Radboud Universiteit door ecoloog Robin Lexmond.
Lexmond verzamelde drie jaar lang insecten met speciale vallen langs 24 akker- en graslandranden in een landbouwgebied bij de Waal: namelijk de Ooijpolder en de Duffelt. De vallen stonden vlakbij de perceelranden met heggen, maar ook bij perceelranden waar boeren bloemenstroken hadden gezaaid, maar ook bij kale percelen waar dus niets naast stond. De ecoloog ving de insecten met een soort van tent van ongeveer 1.70 meter hoog waar de insecten wel in konden komen, maar er niet meer uit. „De insecten die in de val kwamen, hebben we gewogen”, aldus Lexmond.
De hagen bij de perceelranden zijn zo’n 10-15 jaar oud en zijn flink; twee meter of hoger. Het zijn zogenoemde struweelhagen met daarin veel mei- en sleedoorn, rode kornoelje, kardinaalsmuts, wilgensoorten, maar ook soorten die er spontaan in de loop der jaren tussen zijn gaan groeien. De hagen worden meestal twee of drie keer gesnoeid door de perceeleigenaren, aldus Lexmond.
