Biologische bestrijdingsmiddelen moeten sneller op de markt komen. Dat vindt het Europees Parlement, dat deze week met overweldigende meerderheid stemde voor een rapport dat oproept tot een grondige herziening van de Europese toelatingsregels. Van de leden van de milieu- (ENVI) en landbouwcommissie (AGRI) stemden er 97 vóór en slechts twee tegen.
Het besluit wordt gezien als een doorbraak voor boeren en telers die alternatieven zoeken voor chemische gewasbescherming. In het bijzonder voor sectoren als de Nederlandse bollenteelt, die zwaar onder maatschappelijke en milieudruk staan om hun middelengebruik terug te dringen.
Het rapport, een zogenoemd eigen initiatief, is geen wet maar wel een krachtig politiek signaal aan de Europese Commissie. Die wordt opgeroepen de procedures voor de beoordeling van ‘biological control agents’, dus middelen op basis van natuurlijke stoffen, micro-organismen of feromonen, te vereenvoudigen en te versnellen. De huidige toelatingstrajecten duren in de EU vaak zeven tot negen jaar, veel langer dan in andere regio’s. Dat remt innovatie en maakt de overstap naar duurzamere teeltmethoden moeilijker.
Apart beoordelingskader laagrisico-middelen
De Europarlementariërs willen, op aanbeveling van LTO, dat biologische middelen niet langer onder exact dezelfde zware regels vallen als chemische pesticiden. Voor laagrisico-middelen moet een apart beoordelingskader komen, met minder complexe vereisten. Ook pleiten ze voor langere of zelfs onbeperkte goedkeuringen van middelen die als veilig zijn beoordeeld, en voor snellere wederzijdse erkenning tussen lidstaten.
Ter vergelijking: in Brazilië trad eind 2024 de zogeheten Bioinputs Law in werking, die boeren en coöperaties toestaat om zelf biologische bestrijdingsmiddelen te produceren, bijvoorbeeld op basis van bacteriën of schimmels. De regels zijn bewust laagdrempelig. Voor eigen gebruik is geen ingewikkelde registratie meer nodig, alleen een melding van de productielocatie en naleving van kwaliteitsnormen.
Een gat tussen oude en nieuwe middelen
In Europa ligt de nadruk op het sterk terugdringen van het gebruik van synthetisch samengestelde chemische middelen vanwege milieuzorgen en inmiddels ook gezondheidszorgen. De landbouwstructuur is versnipperd over vele landen en de nationale eisen verschillen. Dat leidt tot beleids- en praktische conflicten bij de uitvoering. Europa teelt veel verschillende gewassen, heeft relatief kleine volumes per boer en zit met een lappendeken van regelgeving die boeren in een ongelijk speelveld brengt. De Europese Commissie was voortvarend met het uitfaseren van chemische middelen, maar vergat beleid te ontwikkelen om biologische middelen tijdig op de markt te kunnen brengen. Daardoor is een gat ontstaan tussen het verdwijnen van oude middelen en de komst van nieuwe.
Voor Nederlandse bollentelers is de stemming bijzonder relevant. De sector loopt internationaal voorop, maar staat ook onder toenemende maatschappelijke druk vanwege het intensieve middelengebruik. Bollentelers kunnen met de nieuwe regelgeving straks sneller toegang krijgen tot groene alternatieven.
Systeemverandering nodig
Toch is er ook kritiek. Milieuorganisatie PAN Europe waarschuwt dat de versnelde toelating het gevaar in zich draagt dat het vooral gaat om ‘productvervanging’, ofwel het inwisselen van chemische voor biologische bestrijdingsmiddelen, zonder echte systeemverandering in de landbouw. Ook de bollenteelt blijft, vanwege monoculturen en hoge kwaliteitseisen, sterk afhankelijk van gewasbescherming. Zonder bredere aanpassingen in bodemgezondheid, teeltrotatie en weerbare rassen blijft het risico bestaan dat ook groene middelen in hoge frequentie worden ingezet.
De Europese Commissie werkt inmiddels aan concrete wetsvoorstellen om de aanbevelingen uit het rapport te vertalen naar regelgeving. Als die worden aangenomen, kunnen biologische middelen binnen enkele jaren aanzienlijk sneller beschikbaar komen.
