Landbouwminister Femke Wiersma pleit voor een bodemprocedure in plaats van alle kort gedingen die door omwonenden tegen leliekwekers worden aangespannen. Dat maakte haar ministerie 21 november bekend.
De minister zet in een kamerbrief uiteen dat de Nederlandse rechter in een kort geding voor zichzelf ruimte ziet om op grond van het Europese voorzorgsbeginsel onder omstandigheden een verbod uit te spreken op het gebruik van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. Ook schieten de Gewasbeschermingsverordening en de Wet gewasbescherming en biociden – waar het werk van Ctgb uit voortvloeit – tekort om de veiligheid van middelen en het gebruik te garanderen. Er is een tekort aan onderzoek naar neurotoxiciteit en neurodegeneratieve gevolgen bij mensen. Daarom stelt de kortgedingrechter beperkingen in.
Bodemprocedure
Volgens Wiersma is een bodemprocedure geschikter, omdat er dan meer tijd is om de wetenschappelijke en technische aspecten te doorgronden. Bovendien is dan rekening te houden met de recente uitspraken van het Europese Hof, die handvatten bieden voor de rechterlijke toetsing en de omvang daarvan. Het is vooralsnog afwachten wanneer het tot een dergelijke bodemprocedure komt. In een bodemprocedure wordt in een geschil definitief beslist.
Belangenorganisaties beraden zich nog
Een bodemprocedure kan van ‘beide kanten’ worden gestart, omwonenden of organisaties, zoals een ngo, of bijvoorbeeld een kweker of de sector. LTO, KAVB en Glastuinbouw Nederland hebben hun advocaten om juridisch advies gevraagd of zo’n bodemprocedure zin heeft. Dat advies is er gekomen maar, volgens Ron Mulders van LTO beraden ze zich hier nog op. Wanneer ze dit beslissen, kan Mulders niet aangeven. „We willen hier goed over nadenken en laten ons niet opjagen. Zoiets is heel belangrijk en doe je maar één keer.”
